Een toverdrank voor de Kabouterkoning


De Kabouterkoning is erg ziek. Een toverdrank kan hem beter maken. Jonas, Knut en Malin worden erop uitgestuurd. Ze moeten naar de tovenaar, die aan de andere kant van het fjord woont. Zullen zij zonder problemen het fjord oversteken en wordt de Kabouterkoning weer beter?

Jonas, Knut en Malin staan rond het bed van de Kabouterkoning. De koning heeft een dikke wollen sjaal om zijn nek geknoopt en er liggen wel twee dekbedden op zijn bed. Toch ligt hij nog te rillen van de kou. De kabouters hebben medelijden met hem. Hij wenkt de kabouters dichterbij en zegt met zwakke stem:
' Jonas, Knut en Malin jullie moeten mij helpen en naar de overkant van het fjord gaan. Daar woont een tovenaar en die heeft een toverdrank die mij beter kan maken. Hij is een goede tovenaar en heeft al een heleboel kabouters beter gemaakt.' Jonas, Knut en Malin beloven hem dat ze de reis zullen maken naar de tovenaar.
'We komen terug met de toverdrank en u bent zo weer beter', zegt Jonas en Malin en Knut knikken heftig met hun hoofden.

Nadat ze hun rugzakken vol gepakt hebben, gaan ze op reis. Ze lopen door groene dalen en heuvels. Tegen de hellingen groeien paarse en roze lupinen. De wolken lachen hen toe. De kabouters zien al het moois niet en denken aan de zieke Kabouterkoning.

De kabouters dalen de berg af en moeten zich vastgrijpen aan takken en struiken om niet naar beneden te rollen. Brokken steen tegen de helling zijn begroeid met mos en glibberig. En dan gebeurt het. Malin glijdt uit en valt naar beneden. Hij rolt en stuitert als een pingpongbal. Jonas en Knut staan geschrokken toe te kijken en vrezen het ergste. Gelukkig komt hij tegen een boom tot stilstand. Jonas en Knut bedenken zich geen ogenblik en gaan Malin helpen. Voorzichtig lopen ze naar beneden, zich vasthoudend aan de struiken en weten Malin te bereiken en helpen hem overeind. Malin is nog wat duizelig, maar heeft alleen een paar builen. Ze blijven nog een tijdje zitten op een stuk steen om van de schrik te bekomen.

Beneden bij het fjord aangekomen kijken ze hun ogen uit. Het fjord is breder dan ze dachten en hoe komen ze aan de overkant? 'We moeten een vlot bouwen', zegt Jonas. De kabouters gaan op zoek naar hout. In hun rugzakken hebben ze touw voor noodgevallen, daarmee kunnen ze het hout tegen elkaar vastbinden. Ze slagen erin om een goed stevig vlot te bouwen en slepen het naar de oever van het fjord.
'We moeten het vlot een naam geven net als een boot', zegt Knut. 'Hurtengrut', zegt Malin. De anderen vinden het wel een grappige naam en het vlot heet voortaan 'Hurtengrut'. De Hurtengrut wordt het water ingeduwd en Jonas, Knut en Malin springen erop en peddelen met behulp van takken naar de overkant.
'Schip ahoy! we komen er aan tovenaar', roept Jonas. Knut en Malin lachen, maar dan raken ze in een stroomversnelling. Het vlot wordt meegesleurd door de golven. Het kolkende water slaat over het vlot. De kabouters klampen zich vast aan de touwen. Ze gaan kopje onder en komen weer boven. De Hurtengrut wordt opgetild. Met een enorme vaart vliegt het vlot over het fjord en komt vlakbij de overkant tot stilstand.

Jonas, Knut en Malin zijn doornat en hevig geschrokken. Ze zitten te rillen op de Hurtengrut en zien dat een grote bruine vis rond de Hurtengrut zwemt. Hij heeft een ronde kop en een donkerbruine rug.
'Zo landrotten, jullie mogen mij wel dankbaar zijn. Jullie waren vast verdronken als ik niet in de buurt geweest was', zegt de bruine vis. Jonas, Knut en Malin, nog maar net van de schrik bekomen , bedanken hem.
'Hoe heet je'? vraagt Jonas. 'Oh ja, wat onbeleefd van mij, zeg maar gewoon Bruinvis', zegt de vis en staat rechtop dansend in het water. 'Wat is hij groot', denkt Jonas.
'Jullie redden het nu zeker wel alleen. Ik kan jullie niet helemaal aan de oever brengen. Het is nog maar een klein stukje', zegt Bruinvis. De kabouters bedanken hem uitvoerig en peddelen met hun armen naar de overkant.

Het vlot wordt op de kant getrokken. Jonas, Knut en Malin verzamelen takken om een vuur te maken, want als je doornat bent dan wil je je wel drogen en warmen bij een kampvuur. Er worden liedjes gezongen en verhalen verteld. Jonas deelt halfnat eekhoornbrood uit. Daarna doen ze een dutje.

Na een poosje staan ze weer op en klimmen tegen de berg op en hijgen en puffen. Halverwege is er een pad dat zich rond de berg kronkelt. Ze steken het pad over en lopen nu door een donker bos met hoge naaldbomen. Als je naar boven kijkt zie je nog net een stukje blauwe lucht. Dennenappels liggen overal op de grond en Jonas stopt er een paar in zijn rugzak.

Zo lopen ze nog een hele tijd en schrikken op van geritsel tussen de bomen. Malin blijft doodstil staan en luistert en ziet tot zijn opluchting een vogel wegvliegen. Hij lacht en loopt weer verder.
'Wanneer zijn we er nou'? vraagt Knut. 'Ik heb geen idee, de tovenaar woont ergens halverwege de berg', zegt Jonas. Opeens vallen er dennenappels naar beneden op hun hoofd. Ze kijken omhoog en zien vier trollen in de bomen zitten, die de dennenappels gooien. De trollen zien er raar uit: een groen gezicht, een zwarte bos haar en een staart met een zwarte pluim. De trollen springen uit de bomen op de grond. Ze zijn net zo groot als de kabouters en dansen om hen heen en zingen:

'We zijn gemene, stoute trollen
We houden van grappen en van grollen
We pesten iedereen in het bos
en jullie kabouters zijn de klos'

De trollen trekken aan de rugzakjes van de kabouters en schoppen tegen hun benen. Er springt er zelfs één op de rug van Jonas. Jonas probeert hem van zich af te duwen, maar valt op de grond. Knut en Malin proberen hem overeind te helpen, maar twee andere trollen springen bovenop hen.

Dan is er opeens een angstaanjagend gehuil dat steeds dichterbij komt. De trollen en kabouters staken hun gevecht en luisteren allemaal geschrokken. Er staat daar een wolf vlakbij hen. Hij ziet er gevaarlijk uit. Om zijn bek zit een laag schuim. Hij ontbloot zijn tanden en gromt. De trollen vliegen omhoog de bomen in. Jonas, Knut en Malin staan op en gaan dicht tegenelkaar staan. De wolf houdt op met grommen en komt dichterbij. De kabouters deinzen achteruit.
'Ik doe jullie niets. Ik weet dat jullie op weg zijn naar de tovenaar. Ik ben door hem gestuurd om jullie veilig door het bos te leiden', zegt de wolf. De kabouters zuchten diep van opluchting.
'Kom laten we gaan. De tovenaar zit op jullie te wachten', zegt de wolf en de kabouters lopen gedwee achter de wolf aan.

Ze zijn uit het bos en moeten tegen een heuvel opklimmen. Bovenop de heuvel staat een huis. Voor het huis staat een houten tafel en twee houten banken. Het dak is begroeid met gras.
De deur van het huisje gaat open en de tovenaar verschijnt in de deuropening.
'Vrienden, van harte welkom. Wat fijn dat jullie erin geslaagd zijn hier te komen. Komen jullie binnen', zegt hij. Jonas, Knut en Malin gaan naar binnen en geven hem een hand. De wolf is buiten gebleven en zoekt een plekje in de schaduw om te slapen.

In het huis van de tovenaar zien de kabouters een boekenkast met boeken van bruin leer. Op een lessenaar ligt een boek opengeslagen met een inktpot en een veer erin. In een stellingkast staan flesjes met vreemde vloeistoffen keurig op een rij. De tovenaar kijkt de kabouters vriendelijk over zijn brilletje aan en zegt:
'Ik heb de toverdrank voor de Kabouterkoning klaarstaan. Hij moet er 3x daags een eetlepel van nemen en dan is hij na een paar dagen weer beter. Voor dat jullie weer terug naar het kabouterdorp gaan wil ik jullie belonen met een feestmaal,' zegt hij en haalt zijn toverstaf tevoorschijn. Hij richt zijn toverstaf op een grote tafel en prevelt een onhoorbare spreuk. Jonas, Knut en Malin wrijven hun ogen uit. De tafel staat vol met allerlei gerechten zoals: verse eekhoornbroodjes, paddestoelenpastei, taarten met veel slagroom en chips in de vorm van kaboutermutsjes. Grote kannen limonade. Ze eten en drinken hun buikjes rond en de tovenaar kijkt tevreden toe.

'Gaan jullie maar lekker uitbuiken op de bank', zegt de tovenaar en tovert met zijn toverstaf een bank met zachte kussens in de hoek van de kamer. Jonas, Knut en Malin ploffen op de bank en na nog geen vijf minuten vallen ze in een diepe slaap.
Ze slapen een lange tijd en worden wakker gemaakt door de tovenaar.

'Kom kabouters! Het is nu tijd dat jullie teruggaan naar het kabouterdorp. De Kabouterkoning moet zijn toverdrank hebben,' zegt de tovenaar. De kabouters rekken zich uit en staan op. Zetten hun mutsen op en trekken hun jasjes recht. Jonas krijgt de toverdrank, die hij voorzichtig in zijn rugzak doet. De tovenaar krijgt een hand en wordt bedankt voor zijn gastvrijheid.
'Wolf loopt met jullie mee tot aan het fjord en nu wegwezen jullie, voordat ik mij bedenk', zegt de tovenaar en lacht. Jonas, Knut en Malin zwaaien naar de tovenaar tot ze hem niet meer zien en zijn blij dat de wolf hen beschermt tegen vervelende, pesterige trollen.

De terugreis naar het fjord verloopt allemaal goed en er wordt afscheid genomen van de wolf. Het vlot 'Hurtengrut' ligt er nog en ze duwen het in het water. Met takken peddelen ze naar de overkant. Het water begint ineens te deinen en spat over het vlot heen. 'Nee, toch weer geen stroomversnelling', denken ze alle drie. Dan komt Bruinvis omhoog uit het water gesprongen.
Jonas, Knut en Malin juichen en worden met vlot en al opgetild en aan de overkant neergezet.
Bruinvis wordt uitgezwaaid en de kabouters klimmen tegen de heuvel op. Bovenop de heuvel kun je het kabouterdorp zien liggen.
'Nog even flink doorlopen jongens en we zijn weer thuis', zegt Jonas.

De Kabouterkoning is blij als hij Jonas, Knut en Malin ziet. Jonas geeft de toverdrank aan hem en na een paar dagen is hij weer beter. Het hele kabouterdorp loopt uit om Jonas, Knut en Malin te bedanken.

©Auteur: Anne de Vries-Neuteboom