Een geheimzinnig beest in het Sparrenbos


Jonas gooit de krant boos op tafel. Knut en Malin kijken verbaasd op van hun spelletje 'Kabouter-erger-je-niet'.
'Dat is nu al voor de zoveelste keer. Het vreemde beest heeft weer vernielingen aangericht in de kabouterboerderij', zegt Jonas.
'Wat voor vernielingen?' vraagt Knut.
'Hij heeft eieren gestolen uit het kippenhok en de bijenkasten omver gegooid. En de groenten zijn uit de grond gerukt. Hier lezen jullie zelf maar'. Knut pakt het Dagblad De Rode Muts op en leest. Hij geeft de krant na het artikel gelezen te hebben door aan Malin, die van kwaadheid begint te stampvoeten.
'We moeten hem op heterdaad betrappen. Hij zal zijn straf niet ontlopen', zegt Knut en slaat met zijn vuist op tafel. De andere twee kabouters schrikken ervan.
Ze besluiten naar de kabouterboerderij te lopen om de vernielingen met eigen ogen te zien.

Bij de kabouterboerderij staren ze met open mond naar de ravage. De deur van het kippenhok ligt uit zijn scharnieren gerukt op de grond. In het gaas van de kippenren zitten grote gaten. In de groententuin zijn de kroppen sla en kabouterworteltjes uit de grond gerukt. De bijenkasten liggen her en der verspreidt.
'Ieder moet voor zichzelf naar sporen zoeken. Misschien vinden we pootafdrukken of wat anders', zegt Jonas.

Nadat ze een poosje aan het zoeken zijn geeft Malin een brul: 'Hier zijn pootafdrukken!' De andere kabouters komen aangesneld.
In de buurt van de bijenkasten vinden ze een duidelijke pootafdruk.
'Het lijkt wel van een kat', zegt Knut. Jonas schudt zijn hoofd.
'Dat zou kunnen, maar we weten het niet zeker'. Ze zoeken nog een poosje verder, maar vinden verder niets.
'Misschien weet Meneer de Uil raad. Hij is de slimste vogel die ik ooit ontmoet heb', zegt Jonas.

Bij het boomhuis aangekomen van Meneer de Uil trekken ze aan een lang stuk touw. Bovenin de boom horen ze het rinkelen van een belletje. Na een minuutje verschijnt Meneer de Uil slaperig in de deuropening en kijkt naar beneden.
'Oh, zijn jullie het. Ik was net een uiltje aan het knappen'.
'Sorry dat we je storen, maar het is belangrijk', zegt Jonas.
'Zo, zo, dan is het altijd verstandig om mij te raadplegen. Kom maar even boven'. De drie kabouters klimmen de touwladder in naar het boomhuis.
'Nou vertel op'. Jonas neemt het woord en begint te vertellen. Over de vernielingen in de kabouterboerderij en de vreemde pootafdruk.
Meneer de Uil luistert aandachtig. Het is een poosje stil in het boomhuis. De kabouters zien de wenkbrauwen van Meneer de Uil driftig bewegen.
Ze schrikken als hij uitroept: 'Bij alle uileballen, ik weet het! Er woont een boskat in het Sparrenbos. Hij moet het zijn. Wie anders? Hij sluipt hier altijd verdacht rond. Het zal mij niks verbazen als hij het is. Je hebt aardige katten en valse katten en deze kat hoort bij de categorie vals'.
'Wat is categorie. Is dat de naam van de kat: goriekat of zoiets?' vraagt Jonas.
'Ha, ha, nee, nee, dat wil zeggen dat hij tot de soort valse katten behoort. Hij heeft mij een keer de stuipen op het lijf gejaagd. Hij klom zonder te bellen in mijn boomhut met dat enge harige lijf. En onuitgenodigd ging hij op mijn beste kussen liggen om daar een dutje te doen. De onbeschaamdheid! krast Meneer de Uil luid.

Terug in het dorp denken de drie kabouters na over wat Meneer de Uil heeft gezegd.
'We gaan naar het Sparrenbos. Het is de enige manier om erachter te komen of Meneer de Uil gelijk heeft', zegt Jonas.

De zon staat hoog aan de hemel als de drie kabouters op pad gaan. Vliegjes en bijen zoemen om hen heen. In een sloot kwaakt een kikker een liedje. Ze steken dwars door een weiland. Boterbloemen en Margrietjes zwaaien met hun kopjes als groet. Maar de drie kabouters letten er niet op. Ze lopen driftig naar de rand van het Sparrenbos.

In het bos kijken ze oplettend om hen heen. Tussen de bomen en het struikgewas kan overal de boskat naar hen loeren. Ze zijn op hun hoede. Na een poosje gelopen te hebben ziet Jonas hoog in de boom iets wat op een hut lijkt.
'Wie weet woont die kat daar? zegt Jonas en wijst naar boven. Er is niets te horen dan het geritsel van bladeren en een koekoek heel in de verte. Knut pakt een steentje van de grond en gooit het in de richting van de boomhut. Er gebeurt niets. 'Ik ga een kijkje nemen', zegt Jonas. Hij klimt van tak tot tak naar de boomhut. Knut en Malin volgen hem met trillende kabouterbeentjes. In de boomhut is niets bijzonders te zien. Er ligt een hoopje verdroogde bladeren in een hoek. Hier en daar liggen plukken zwartgrijs haar.
'Er is wel een of ander beest hier geweest', zegt Knut en pakt een pluk haar van de grond.
'Laten we weggaan, straks komt dat beest terug', zegt Malin.
'Ach welnee, ik ben moe. Laten we hier even een dutje doen. Straks zoeken we weer verder naar die kat', zegt Jonas. En zo liggen de kabouters na een poosje luid te snurken. Ergens beneden tussen het struikgewas hoort een langharige kat het gesnurk. Hij richt zijn kop omhoog en kijkt naar de boomhut.

Jonas, Knut en Malin schrikken wakker van een luide schreeuw. Ze zitten meteen rechtop en staren met wijdopen verschrikte ogen midden in de kop van een woest uitziende kat.
'Wat moet dat hier!' buldert de boskat. De kabouters springen overeind en deinzen terug naar een hoek van de boomhut.
'We zijn op zoek naar een boskat die op de kabouterboerderij vernielingen heeft aangericht', stamelt Jonas en kijkt hem onderzoekend aan.
'Ja en hij steelt ons eten' zegt Knut.
'Nou, dan moeten jullie niet bij mij zijn. Ik breng geen vernielingen aan. Waarom zou ik. Ik heb het hier naar mijn zin in het bos. En er zijn voor mij genoeg dikke sappige veldmuisjes te vinden' en wijst naar zijn ronde buik.
'Maar er is een vreemd beest in het bos komen wonen. Sindsdien gebeuren er vervelende dingen. De andere bosbewoners hebben ook klachten. De eekhoorn mist een voorraad beukennootjes. Egels worden lastiggevallen. Het vervelende is dat hij geen vaste slaapplaats heeft. Elke keer als ik denk dat ik hem gevonden heb is hij al weer verdwenen', zegt de boskat. De drie kabouters geloven de boskat. Hij ziet er ineens minder woest uit. Knut wil hem over zijn vacht aaien, maar vindt dat toch wel wat vrijpostig. Jonas krijgt zomaar een kopje van de kat.
'Wil je met ons meegaan op zoek naar dat vreemde beest?' vraagt Malin aan de boskat.
'Met alle genoegen. Samen staan we sterker. Dat rotbeest zullen we een lesje leren', zegt de boskat en blaast strijdlustig. Met z'n vieren kijken ze achter iedere struik en in iedere boom. Maar nergens is er een spoor van het geheimzinnige beest.
'Een bruine vogel vraagt nieuwsgierig: 'Wat zijn jullie aan het doen?' en sluit zich bij hen aan.

Een eekhoorn die graag van avontuur houdt, wil ook mee en springt boven hun hoofden van de ene boom in de andere. Elke keer komt hij met de boodschap van: 'Ja, ik zie wat'. Maar telkens is het loos alarm.
Totdat Knut het zat wordt en schreeuwt: 'Hou daar toch eens mee op stomme eekhoorn. Je jaagt ons steeds de stuipen op het lijf'. Van kwaadheid gooit de eekhoorn een beukennoot naar Knut. Jonas en de boskat moeten ertussen komen om de ruziemakers tot bedaren te brengen.

Na een kwartier zoeken vinden ze een stukje papier dat aan een tak hangt. Jonas leest het woord: 'Ik' en verder niets. Een paar meter verder vinden ze een ander stukje papier met: 'ben'.
'Iemand houdt ons voor de gek', zegt de boskat.
'Zou weleens van dat geheimzinnige beest kunnen zijn', zegt Jonas.
'Ik vlieg vooruit', zegt de vogel.
'Ik spring in die boom daar. Misschien zie ik wat', zegt de eekhoorn.
'Laat me niet lachen', zegt Knut en kan nog net een beukennoot ontwijken. Zo vinden ze nog drie andere stukjes papier met de woorden: 'een', 'gemene' en 'trol'.
Als ze het laatste stukje papier vinden met 'trol', horen ze gemeen lachen. Ze kijken met z'n allen naar boven en zien een groen uitziend beest met een gemene kop, een grote haardos en een staart. Uitdagend kijkt hij hen aan.
De boskat bedenkt zich geen ogenblik en klimt de boom in gevolgd door de eekhoorn. De trol springt van tak tot tak onder luid gelach. De bruine vogel fladdert wild boven hun hoofden. De drie kabouters beneden volgen met ontzag de capriolen van de trol, de boskat en de eekhoorn.
Jonas schreeuwt: 'Grijp die trol!'
Knut: 'Trek hem aan z'n staart'!
Malin: 'Trek hem aan z'n lange neus!' Ze springen enthousiast op en neer en schreeuwen de longen uit hun lijfjes. De trol laat zich niet makkelijk vangen. Hij weet zelfs naar een andere boom te springen. De boskat springt hem achterna. Hij misrekent zich en valt naar beneden. De kabouters rennen naar hem toe om hem op te vangen. Maar de boskat blijft met zijn voorpoten hangen aan een tak. Zijn lijf zwaait heen en weer. Gelukkig staat hij in een paar tellen weer met zijn vier poten balancerend op de tak. De drie kabouters beneden applaudiseren. Even maakt de boskat een buiging naar hen en rent vervolgens weer achter de trol aan.

De eekhoorn daagt de trol uit en probeert hem van de boskat weg te lokken. Als de trol even niet oplet sluipt de boskat heel stil naar het bovenste topje van de boom. En geruisloos laat hij zich zakken tot vlak boven de trol.
Met een lenige sprong springt hij bovenop de rug van de trol. De trol geeft een brul en probeert hem van zich af te schudden. Wild slaat hij met z'n poten in het rond. Maar de lange nagels van de boskat zitten stevig in de dikke huid van de trol. De eekhoorn springt van enthousiasme heen en weer bovenop de trollenkop. De trol danst van boosheid en pijn heen en weer. Hij verliest zijn evenwicht en valt naar beneden. De boskat met zich meesleurend.

Beneden kunnen de drie kabouters nog net op tijd opzij springen. Met een luide plof landt de trol op de bosgrond. Versuft door de val blijft hij liggen. De boskat is tijdens de val al van de trol afgesprongen.
Schoorvoetend komen de kabouters dichterbij. Plotseling gromt de trol en beweegt een poot. De kabouters schrikken hevig en deinzen achteruit. Maar na nog wat gerochel ligt de trol doodstil.
'Is hij dood?' vraagt Knut.
'Nee, hij is bewusteloos. Kijk maar. Hij blaast bubbeltjes van z'n trollensnot', zegt Malin. De kabouters trekken een vies gezicht.
Ze draaien de trol op z'n rug. Jonas pakt touw uit zijn rugzakje en met z'n drieŽn binden ze de poten van de trol vast.

Jonas, Knut en Malin slepen de trol naar het kabouterdorp. De boskat, de eekhoorn en de vogel gaan met hen mee.
De kabouters in het dorp kijken vreemd op als ze de stoet voorbij zien komen.
'Is dat groene beest de dader van de vernielingen?' vraagt een kabouter die net een pijpje zit te roken voor zijn huisje.
'Helemaal goed', zegt Jonas.

Meteen gaat het gerucht rond in het dorp dat de dader is gepakt. Het hele dorp is opgelucht. Het Dagblad De Rode Muts doet verslag van de heldendaad van Jonas, Knut, Malin. En niet te vergeten de boskat, de eekhoorn en de bruine vogel. Er staat een grote foto in de krant van de helden met de geboeide trol.

De Kabouterkoning heeft beslist dat de trol een taakstraf krijgt. Hij moet onder toezicht van Jonas, Knut en Malin, de boskat, de eekhoorn en de bruine vogel alle vernielingen in de kabouterboerderij herstellen. Als dat gebeurd is mag de trol zich niet meer laten zien in het Sparrenbos.

De boskat vindt op een ochtend een brief in zijn boomhut. Hij maakt hem nieuwsgierig open en leest:

'Beste Meneer boskat, Ik vind het weliswaar nog steeds onbeschaamd om zo maar een dutje te komen doen in mijn boomhuis en nog wel op mijn beste kussen. Maar ik heb na langdurig nadenken besloten om het je te vergeven. Het is mij ter ore gekomen dat je je heldhaftig gedragen hebt en ik je valselijk beschuldigd heb. Hierbij nodig ik je uit om samen met mij een pijpje te roken. Vriendelijke uilengroeten van Meneer de Uil'.

Een week later is alles weer netjes op de kabouterboerderij. De trol is vertrokken met de staart tussen zijn benen. Uitgejoeld door de kabouters in het dorp. De rust is in het kabouterdorp teruggekeerd.

©Auteur: Anne de Vries-Neuteboom