Bram en Luuk horen twee mannen het trapje afdalen. Het hart bonkt in hun borstkas. De mannen schrikken van geritsel en een bundel licht verschijnt in de kamer waar ze zich verstopt hebben. Ze houden de adem in.

'Doe wat met die jongen. De hele dag zit je achter de krant of een boek', zei Bram's moeder kwaad.
'Zeg jij nou maar niks. Jij zit de hele dag te kletsen met je vakantievriendinnen of ligt te bakken in de zon', zei Bram's vader en gooide het boek met een smak op de tafel. Bram had het gesprek dwars door zijn favoriete muziek van The Nits gehoord. Hij zette het geluid van zijn mp3-speler nog wat harder. Straks krijg ik nog een gehoorbeschadiging, maar alles beter dan dat eeuwige geruzie aan te horen, dacht hij. Al de hele week heerste er een onaangename sfeer in het vakantiehuisje en ze hadden nog een week te gaan. Hij verveelde zich rot. Hij nam zich voor vanmiddag te gaan wandelen in de duinen.

Die middag trok Bram de deur achter zich dicht. Niemand had opgemerkt dat hij was weggegaan. Zijn vader zat te knikkebollen op de bank en zijn moeder was met een vriendin naar zee gegaan. De zon stond hoog aan de hemel. Het was een graad of vijfentwintig. Eigenlijk een goede dag om naar het strand te gaan, maar dat uren liggen bakken in de zon was niets voor hem.
Hij liep door het bungalowpark richting de duinen. Het was rustig op het park. De meeste waren naar het strand vertrokken. Hier en daar stonden opgezette parasols waar de thuisblijvers in ligstoelen een dutje deden. Uit een radio klonk popmuziek. Een mevrouw neuriede mee met de muziek.

Bram stak de Duinweg over en liep over het voetpad het duingebied in. Hij bleef staan bij een richtingaanwijzer. Hij las op de borden: 'de rode paaltjes 20 km en de witte paaltjes 30 km'. Hij besloot de witte paaltjes te volgen. Het pad slingerde door het duingebied en ging naar beneden en dan weer omhoog. Bovenop een heuvel had hij een mooi uitzicht over de duinen. Er lagen meertjes, die voor de drinkwatervoorziening zorgden. Tussen de duinpannen lag een bunker als een soldaat op wacht.
De bunker wekte Bram's nieuwsgierigheid en hij had zin om er een kijkje te nemen. Op de televisie had hij vorig jaar een film gezien over de landing van de geallieerden bij Normandië. Hij had er een spreekbeurt over gehouden op school. Iedereen in de klas was doodstil en luisterde eens voor een keer geconcentreerd. De meester had hem geprezen over zijn kennis.

Prikkeldraad versperde hem de weg, maar wie of wat hield hem tegen? Er was geen levende ziel te bekennen in de hele omgeving. Hij schoot onder het prikkeldraad door. Hij raakte een scherpe punt die flink in zijn huid prikte. Hij vloekte. Met zijn zakdoek bette hij het bloeden. Druppels bloed vielen op zijn oranje t-shirt en kaki bermuda.
Er heerste een doodse stilte in het duingebied, zelfs de vogels leken wel een middagdutje te doen. Bram naderde de bunker en liep eromheen. Een grijze massa stenen en nergens een raam. Hij keek na een rondje te hebben gelopen tenslotte in een donker gapend gat wat de deur moest voorstellen. Hij liep naar binnen en bleef even stilstaan om aan het donker te wennen. Het rook muf. Verder lopend struikelde hij bijna. Hij bukte zich en zag een rugzak liggen. Hij pakte de rugzak op en net toen hij erin wilde kijken schrok hij hevig.
'Blijf van mijn spullen af!' schreeuwde iemand. Bram liet de rugzak vallen en keek om. Een jongen stond bij de ingang. Door het zonlicht kon Bram niet goed zijn gezicht zien. Bram deinsde achteruit en de jongen kwam dichterbij. Hij was niet veel groter dan Bram en hij schatte hem op veertien jaar net als hijzelf. Blond stekelig haar en een spijkerbroek met zwart t-shirt.
'Maak je niet druk. Ik dacht dat iemand het had laten liggen', zei Bram. De jongen keek Bram argwanend aan en vroeg: 'wat kom je hier doen?'
'Ik was een beetje aan het rondstruinen en zag deze bunker', zei Bram.
'Als je geïnteresseerd bent in bunkers. Ik weet er nog meer. Ik heet Luuk'. Hij stak een hand uit. 'Ik heet Bram'.
Luuk deed zijn rugzak om en samen gingen ze naar buiten. Bram knipperde met zijn ogen tegen het zonlicht.
'Wat is er met je arm?' vroeg Luuk.
'Oh, het is niks. Ik heb me opengehaald aan het prikkeldraad', zei Bram.
'Stom', zei Luuk. Bram haalde zijn schouders op.
'Ben je hier op vakantie?' vroeg Bram.
'Ja, met mijn ouders in dat bungalowpark verderop. Ik had helemaal geen zin om mee te gaan, maar ik moest. Mijn broer is ouder en die kon lekker met een vriend gaan kamperen. Ik verveel me rot met mijn ouders', zei Luuk.
'Ik logeer in hetzelfde park en ik verveel me ook stierlijk. Mijn ouders hebben aldoor ruzie', zei Bram.

Ze liepen een tijdje zwijgend achter elkaar. Luuk liep met stevige pas voorop. Duin op en af. Ze hijgden en zweetten. De zon brandde genadeloos op hun blote hoofden. Luuk pakte een fles water uit zijn rugzak en nam een paar flinke slokken.
'Ook wat?' vroeg hij aan Bram en gaf hem de fles. Bram nam het gretig aan en zette de fles aan zijn mond.
'Daar nog een bunker!' wees Luuk. In een duinpan lag het gevaarte. Opgewonden renden ze erop af. Deze was een stuk groter dan de vorige en er zaten aan weerskanten kijkgaten. Binnenin de bunker waren diverse kamers. Ze liepen wat rondjes en zagen dat een trap naar beneden voerde. Luuk haalde een zaklantaarn tevoorschijn uit zijn rugzak en scheen in het donkere gat. Achter elkaar daalden ze het trapje af. Er waren beneden nog meer kamers. Verroestte deuren stonden wijdopen. Bram probeerde eraan te duwen, maar er was geen beweging in te krijgen.
'Bram, ik heb wat gevonden!' riep Luuk. Hij scheen zijn zaklantaarn op twee houten kisten. De kisten zagen er als nieuw uit. 'Voorzichtig' was er met grote letters op geplakt. Luuk gaf de zaklantaarn aan Bram en probeerde een kist open te maken. Het deksel zat muurvast. Vervolgens probeerde hij hem op te tillen, maar hij was loodzwaar.
'Stil! Ik hoor wat', zei Bram. Ze stonden met ingehouden adem te luisteren. Stemmen kwamen steeds dichterbij. Luuk en Bram renden vliegensvlug naar een van de andere kamers. Ze zagen een bundel licht hun kant uitkomen. Twee mannen daalden het trapje af.
'Vanavond als het donker is halen we het vuurwerk op en brengen het naar Koos', zei een mannenstem.
'Ik snap niet waarom het zo nodig hier moest verstopt worden. We moeten dat hele eind met die kisten door de duinen sjouwen', zei een ander.
'Had jij dan een beter idee om ze te verstoppen. Nee, hou dan je bek'.
Luuk en Bram stonden doodstil. Hun hart bonsde in het lijf. Bram moest niezen, maar kon het nog net op tijd inhouden. Ze hoorde geritsel vlakbij hen. De mannen blijkbaar ook en Luuk en Bram zagen de bundel licht hun kant uitkomen.
'Ik hoor wat', zei een van de mannen. 'Verdomme het is een konijn'. De mannen liepen weer het trapje op.

Luuk en Bram bleven nog een hele tijd met gespitste oren staan tot ze niets meer hoorden. Bram keek op zijn horloge. Het was half vier. Voorzichtig gingen ze weer naar boven en naar buiten. Ze liepen om de bunker heen. De warmte viel bovenop hen. Natte plekken vormden zich onder hun oksels. Van de mannen was in de verste verte niets te zien. Die waren waarschijnlijk al op de Duinweg aangekomen.
'Er zit dus illegaal vuurwerk in die kisten en die komen ze vanavond ophalen', zei Luuk.
'Ik heb een plan. We maken die kisten open en verstoppen het vuurwerk. We vullen die kisten met zand,' zei Bram.
'Man lachen, wat een goed idee. En dan verstoppen wij ons vanavond in een duinpan om die twee zich rot te zien sjouwen met een kist vol zand', zei Luuk. Ze rolden allebei van het lachen door het duinzand.

Weer terug bij de kisten slaagden ze erin de deksels open te wrikken. Ze bekeken het vuurwerk wat bestond uit siervuurwerk en zwaarder werk. 'Als jij bovenaan het trapje gaat staan dan geef ik het vuurwerk aan', zei Luuk. Ze werkten ononderbroken door tot alles boven lag. Nu was het nog een kwestie het vuurwerk naar buiten te sjouwen. Achter de bunker vonden ze een goede plek om het te verstoppen. Met hun blote handen groeven ze een grote kuil en legden het vuurwerk erin en bedekten het met zand. Vervolgens gooiden ze Luuk's rugzak vol met zand en renden heen en weer om de kisten te vullen.
Uitgeteld lagen ze daarna een hele tijd bij te komen van alle inspanning. Na een poosje gingen ze gezamenlijk terug naar het bungalowpark.

Die avond hadden Luuk en Bram om negen uur afgesproken bij de ingang van het bungalowpark. Bram had tegen zijn ouders gezegd dat hij vanavond naar een vriend ging. Die vriend gaf een feestje bij hem thuis. Verveeld hadden ze Bram aangekeken. Zijn vader zat meteen daarna weer achter zijn krant en zijn moeder ging door met naar een soapserie te kijken op de televisie.
'Voor twaalven thuis', mompelde zijn vader en zijn moeder knikte.
Bram slikte zijn groet in en sloeg de deur van het vakantiehuisje achter hem dicht. Blij dat hij die duffe bedoening een tijdje kon ontvluchten. Luuk stond al op hem te wachten.
'Ook zo gezellig bij je thuis?' zei Luuk. Luuk sloeg Bram kameraadschappelijk op de schouder. Ze kenden elkaar pas kort, maar het leek of ze altijd vrienden waren geweest. Er kwam mist vanuit zee opzetten. Het was een stuk frisser geworden. Bram ritste zijn jack dicht.

In de duinen volgden ze de witte paaltjes en kropen onder het prikkeldraad door richting de bunkers. Bij de bunker aangekomen gingen ze in een duinpan liggen. Zo dat de mannen hen niet konden zien, maar zij de mannen wel. Bram keek op zijn horloge.
'Nog een dik half uur dan wordt het wel donker', zei Bram. Ze vertelden elkaar over school en hobby's. Ze computerden allebei graag. Luuk had leuke spellen waar Bram wel geïnteresseerd in was. Zo doodden ze de tijd tot het donker werd.

Pas tegen elven zagen ze de mannen richting de bunker lopen. De een was een kop groter dan de ander, maar allebei hadden ze een flink postuur. Bram en Luuk konden in het donker niet goed hun gezichten zien. De mannen verdwenen in de bunker en kwamen na een tijdje allebei met een kist naar buiten.
Moeizaam liepen de mannen richting de Duinweg. Luuk en Bram kwamen niet meer bij van het lachen.
'Ze hebben vast een auto staan bij de ingang van de Duinweg op die parkeerplaats. Kom, we volgen ze. Dan kunnen we mooi hun kenteken noteren voor de politie', zei Luuk.
Op een flinke afstand volgden Bram en Luuk de mannen. Af en toe stopten de mannen om een sigaret op te steken en uit te rusten. Bram en Luuk zorgden er wel voor dat ze niet gezien werden.

Op de parkeerplaats aangekomen maakte een van de mannen de achterklep van een blauwe Audi open en ze stopten de kisten erin. Bram en Luuk naderden zo dichtbij mogelijk om het kenteken te noteren. En toen gebeurde het. Een van de mannen keerde zich om en keek midden in het gezicht van Bram en vervolgens in die van Luuk.
'Wat moeten jullie?' vroeg de man. Luuk en Bram bedachten zich geen ogenblik en renden de parkeerplaats over naar de Duinweg.
'Daarheen!' schreeuwde Luuk en rende een duinpan op met Bram achter zich aan. Ze werden achtervolgd door een van de mannen. Bram kon Luuk niet bijhouden en raakte achterop. Hij hoorde het gehijg van de man vlak achter zich. De man was nu heel dichtbij. Met handen en voeten klom Bram tegen de helling op. Hij was buiten adem en kon niet meer. Het gehijg achter hem werd steeds zwaarder. Hij keek om en zag de man een hand naar hem uitsteken die zijn voet omklemde. Hij probeerde zich met alle geweld los te rukken. Hij had geluk, de man gleed naar beneden en de greep om zijn voet verslapte. Bram maakte van de gelegenheid gebruik te ontsnappen. Met alle kracht die nog in hem zat bereikte hij de duintop. Luuk stond op hem te wachten en trok hem naar boven. Ze renden naar beneden. Ze bleven rennen en rennen zonder nog om te kijken richting het strand.

Toen ze op het strand waren zochten ze beschutting achter een strandhuisje. Hijgend en naar adem snakkend stonden ze daar bij te komen.
'Wat doen we nu?' vroeg Bram.
'Wachten', zei Luuk. Allebei keken ze voorzichtig om de hoek van het strandhuisje richting de duinen. Er was niets te zien. Alles wat ze hoorden was het ruisen van de zee en een paar schreeuwende meeuwen. Na een half uur besloten ze terug te gaan naar het bungalowpark een andere weg nemend dan ze gekomen waren.

Bij het bungalowpark aangekomen liepen ze naar Bram's huis. De gordijnen waren gesloten en er brandde geen licht. Het was half één zag Bram op zijn horloge. Zijn ouders waren al naar bed gegaan. Hij voelde in zijn broekzak of de huissleutel er nog zat. Gelukkig hij had hem nog.
'Bellen we nu de politie of morgen', vroeg Bram.
'Nu natuurlijk. De sporen zijn nog vers', zei Luuk en haalde uit zijn jack een mobieltje te voorschijn. Hij toetste 112 en kreeg de centrale. Hij vertelde anoniem dat er een partij vuurwerk lag achter een grote bunker bij de Duinweg en gaf het kenteken door van de blauwe Audi. Bram en Luuk spraken af niets van hun avontuur in de duinen aan hun ouders te vertellen.

De volgende dag ging het gerucht door het bungalowpark dat er een partij illegaal vuurwerk in de duinen was gevonden. De daders waren bekenden van de politie. Bram en Luuk keken elkaar grijnzend aan.

©Auteur: Anne de Vries-Neuteboom