De lente zien en ruiken

Opa en Jasper zitten buiten op een bank in de tuin. Ze hebben geen jassen aan. De zon is lekker warm. De poes scharrelt door het pas opgekomen groene gras.
'Ik ruik de lente', zegt opa.
'Die kun je toch helemaal niet ruiken opa', zegt Jasper.
'Ja hoor. Alles ruikt in de lente lekker fris. Het gras, de bloemen, de nieuwe blaadjes aan de bomen'.
Jasper springt van de bank en ruikt aan de krokussen. Daarna ruikt hij aan het gras.
'Het ruikt wel lekker opa'.
'Kijk, het vogelhuisje wordt ook weer gebruikt', zegt opa. Een musje komt met een takje aangevlogen in zijn bek.
'Het musje maakt een nestje. Straks hebben we allemaal kleine vogeltjes in de tuin', zegt opa. Jasper springt heen en weer van plezier. Wat is de lente toch leuk.
'Weet je wat wij gaan doen? We gaan een fietstochtje maken langs de weilanden. Jij mag achterop en dan kun je de lente zien en ruiken', zegt opa.
'Jaa! Ik wil mee', roept Jasper opgewonden.

Jasper zit achterop de fiets van opa. Opa fietst over een fietspad dwars door het weiland. Jasper kijkt naar links en dan weer naar rechts. Er is zoveel te zien.
Opa wijst naar pasgeboren lammetjes in de wei. Er zijn er heel veel. Ze dartelen en spelen krijgertje met elkaar. Ze zien er schattig uit met hun witte vachtjes.
Opa stopt bij een sloot en wijst naar een lange stoet eendjes. Ze zwemmen gehoorzaam achter hun moeder aan.
'Kijk Jasper. Allemaal kleine eendjes'. Jasper probeert ze te tellen.
'Het zijn er negen', zegt Jasper.
'Dat heb je goed gedaan', zegt opa. Jasper glundert.
Ze fietsen weer verder. Opa wijst naar een boom vol met bloesem.
'Opa, ik wil aan die boom ruiken', zegt Jasper. Opa stopt vlak onder de boom. Hij buigt voorzichtig een tak om vlakbij Jaspers neus. Jasper ruikt en zegt: 'Ik ruik lente'. Opa ruikt ook en knikt.
Als ze weer verder fietsen komen ze langs een boerderij. Er staat een bord op het erf: 'Boerenkaas te koop!'
'We gaan wat kaas kopen voor oma', zegt opa en stapt van zijn fiets. Hij zet de fiets tegen een heg. Jasper wordt uit het fietszitje getild. Samen lopen ze naar het huis van de boer. Opa belt aan. De boer doet open.
'We willen kaas kopen', zegt opa. De boer gaat hen voor naar de kaasmakerij.
'Lekker lenteweertje. Een fietstocht met de kleine aan het maken?' vraagt de boer.
'Mijn kleinzoon wil de lente zien en ruiken', zegt opa.
De boer geeft Jasper een aai over zijn bol.
'Nou dan ben je hier aan het goede adres. Er zijn jonge biggetjes geboren. We kunnen wel even gaan kijken', zegt de boer. Met z'n drieën lopen ze naar de stal. Een vrolijk geknor komt hen tegemoet.
Jasper ziet wel vijf roze biggetjes scharrelen in het stro. De moeder ligt languit. Af en toe drinkt een biggetje wat bij haar. De boer pakt een biggetje op en geeft het aan Jasper. Jasper vindt het wel een beetje eng. Het biggetje spartelt en wil weer terug naar zijn moeder. Jasper ruikt aan het biggetje.
'Hij ruikt niet naar lente. Hij stinkt', zegt Jasper.
'We zetten hem weer bij zijn moeder', zegt de boer.

Ze lopen met z'n drieën weer terug naar het huis. De boer gaat hen voor naar de kaasmakerij. Er liggen allemaal ronde kazen op een plank. De boer pakt een kaas.
'Die is erg lekker', zegt de boer en snijdt een brok kaas af. Opa en Jasper mogen proeven. Opa vindt hem lekker en koopt wel een kilo kaas.
'Ik eet lente', zegt Jasper.
'Nou, dit is geen jonge kaas. Deze kaas is zeker een jaar oud', zegt de boer.
'We gaan weer eens op huis aan', zegt opa en geeft de boer een stevige hand.

Opa en Jasper zetten de fiets in de schuur. Het was een fijne fietstocht. Samen lopen ze door de tuin naar binnen. Oma zit al op hen te wachten. Er hangt een heerlijke baklucht in het huis.
Jasper gaat naast oma op de bank zitten.
Jasper vertelt over de lammetjes, de eendjes en de biggetjes die hij heeft gezien. En de bloesem die hij heeft geroken.
'Dan heb je nu wel zin in een stuk cake. Die ruikt helemaal naar de lente', zegt oma.
'Neee, dat kan niet oma. Die ruikt gewoon naar cake', zegt Jasper.

©Auteur: Anne de Vries-Neuteboom